In navolging van ‘Big Brother’ en
‘de Bus’ een real life
verslag van een avontuurlijke tocht door het enige hindoekoninkrijk
van de wereld. Met in de hoofdrollen
Kathmandu, Swayambhunath, 15.30 uur
We zitten
in hetzelfde restaurantje waar we de vorige keer, nu anderhalf jaar geleden,
ook gezeten hebben. Bij Swayambhunath eerst de lange
trap op, 50 rs entree betalen. Boven naar links en met de klok mee langs de
gebedsrollen, om de grote tempel heen tot ongeveer drie uur waar ‘Fruit en Juices’
gevestigd is. Meteen bovenaan de trap naar rechts is korter, maar dit wordt om
gebedstechnische redenen niet gedaan. Met de rechterhand worden de blikken
gebedsrollen tijdens het lopen in beweging gebracht, zodat die al draaiend de
gebeden naar de goden kunnen sturen. Loop je met de linkerhand het dichtst
langs de stupa, dus tegen de klok in, dan kan de
rechterhand de rollen niet in beweging zetten. De locatie is hetzelfde, het
interieur en de groep zijn anders. Ons Nepal-clubje
dit keer: Eva (8 jaar), Yme (10 jaar) en vier volwassenen: Truke,
Peter,
Na een relaxt ontbijt op het dakterras van ons hotel, het Madhuban Guest House in Chhetrapati, lopen we via Durbar Square naar deze boeddhistische tempel. Swayambhunath wordt ook wel de ‘apentempel’ genoemd in verband met de grote kolonie die er rondhangt. Niet met eten lopen zwaaien want het wordt zo uit je handen gegrist. Hoewel Eva zich al een stukje heeft laten dragen, heeft ze de grote trap met 174 treden toch zelf gelopen én geteld. De temperatuur is aangenaam zomers, Yme heeft goden gezocht en Peter is op zoek gegaan naar een Boeddha in een bepaalde positie. Volgens goed katholiek gebruik hebben we ook nog kaarsjes, in de vorm van yak vet in een klein schaaltje, aangestoken. Yme voor Kitty en Yasmijntje (zijn dwergcavia); Eva voor Jessie, Marie en Jodocus (de goudvis) en ik voor de oma’s.
Gisteravond zijn we, na een goede vlucht via Londen en Bahrein (5 uur wachten), om 19.30 uur op Tribhuvan airport aangekomen. Het invullen van de visa formuliertjes en het ophalen van de bagage zorgden voor het gebruikelijke oponthoud. Formaliteiten die na bijna 24 uur reizen voor de nodige irritatie kunnen zorgen. We werden opgehaald door mensen van HET (Himalayan Ecological Trekking) en Mithu’s familie: ama, Kalpana, haar broer, Shanta en Bishnu . Onhandige ontmoeting omdat ik ze met Namaste en de handen gevouwen wilde begroeten, en zij ons op z’n westers de hand wilden schudden. Maar eigenlijk wilde ik ze allemaal omhelzen. Ze zijn een stuk kleiner dan ik in gedachte had; Dylan, hier een normale knul van 11 jaar, is al groter dan zijn oma. Het was een emotioneel moment; ook een gevoel van thuiskomst.
Kathmandu, balkon hotel, 9.30 uur
Bijna klaar om met 1 rugzak minder naar Pokhara te gaan, van waaruit we de trek naar Jomsom en Muktinath morgen gaan beginnen. Het valt niet mee om spullen voor vier personen (ook warme kleding omdat we boven de 3000 meter zullen komen) in twee rugzakken te krijgen. Alles weegt bijna niks, maar een aantal dingen bij elkaar geeft toch weer een zak vol. Thuis hebben we al besloten dat we het niet zelf gaan dragen, vandaar dat we drie dragers en een gids bij HET geregeld hebben. Zeer westers en luxe om niet met je eigen spullen te gaan sjouwen, maar in dit geval heb ik er geen problemen mee. Fysiek zijn we het lopen niet gewend en de trek zal door de hoogte verschillen (veel klimmen en dalen en minder zuurstof in de lucht) al lastig genoeg zijn. Bovendien is het ook makkelijk en gezellig om met Nepalese jongens op stap te zijn. Zij regelen onderdak en houden een oog op de kinderen. Vooral dat laatste is erg plezierig want de kinderen lopen doorgaans beter dan ik, zodoende kunnen ze een aardig eind uit de buurt zijn.
Pokhara, 20.30 uur
Enige uren en de nodige woorden verder. We hebben een voor Nepalese begrippen, zeer riante kamer in het ‘Moonlight Hotel’ aan de rand van het Phewameer: eigen badkamer met w.c. en ligbad en zelfs t.v., maar die doet het niet.
Vanochtend om 10 uur kwam Balaram, onze gids van de eerste trekking in ’98, ons bij het hotel ophalen. Ook hij is kleiner dan ik me herinner, ik kan hem met mijn 1.60 meter in ieder geval recht in de ogen zien. We dragen zelf onze rugzakken als we met hem door Thamel naar het kantoortje van HET lopen. Hier moeten we met Rupchandra Gurung, een van de eigenaars, nog allerlei formaliteiten regelen. Het ziet er naar uit dat hij nog niets ten aanzien van onze trekking geregeld heeft. Ter plekke wordt aan de hand van de e-mailtjes die ik met zijn broer uitgewisseld heb, de tocht en de daarbij horende financiën (o.a. het budget voor de gids) bepaald. Later horen we van Balaram dat hij dacht dat we pas de volgende dag zouden vertrekken.
Om twaalf
uur vertrekken we uiteindelijk met de ‘private van’ naar Pokhara. Voorin de
jeep, naast de bestuurder zit
Morgen gaat het echte loopwerk beginnen. Als het niet primitiever wordt dan dit, en dat betwijfel ik want de route die we gaan doen staat bekend als de ‘coca-cola trek’, dan is dat nog een tegenvaller. Geen diarree, geen vieze plee’s of gaten in de grond waar je geacht wordt boven te hangen, gewone douche en op trek zelfs t.v. (!) op de kamer.
Hille, 20.30 uur
Yme heftig ziek vandaag, waardoor we maar twee uur gelopen hebben. Het kondigt zich aan tijdens het ontbijt vanochtend. Hij eet zijn omelet niet op, gaat naar de kamer om over te geven in de w.c. maar laat alles buiten voor de deur al vallen.
We maken kennis met ‘onze dragers’ als we op de taxi’s wachten die ons naar Nayapul (=nieuwe brug) waar de eigenlijke trek begint, zullen brengen. Twee van hen zijn vannacht met de nachtbus vanuit Kathmandu naar Pokhara gekomen. Omdat hun namen voor ons aanvankelijk onuitspreekbaar zijn, geven we ze typische Hollandse varianten: Nota Bene voor degene die zich meteen al als ‘enbie’ voorstelt. Hij heeft enige ervaring met toeristen en daarom zijn mooie Nepalese naam van Nara Bahadur Bohara, al afgekort tot ‘NB’.
Hari Adhikari wordt ‘Haagse Harrie’ en Narayam Dhamala heet vanaf nu ‘Tokyo’, gewoon omdat hij een T-shirt met die tekst draagt.
Met ingang van januari 1998 heeft de Nepalese regering de permits voor een groot aantal populaire treks afgeschaft. De prijs van het visum om het land in te komen is toen verhoogd, naar fl 95,- voor een basisvisum. Hoewel we dus geen officiële trekkingpermit meer nodig hebben (en dus geen pasfoto, dacht ik) moeten we ons toch bij een ‘administration office’ melden en laten registreren voor een ‘entrance permit’. Tijdens die administratieve handelingen, met paspoort kopieën en veel stempels ligt Yme als een uitgeteld vogeltje op de bank. Voor we uiteindelijk in twee oude Toyota’s vertrekken, poept hij zijn broek én de w.c. onder. De laatste kon al niet meer viezer.
Onze taxi
met Harrie, Tokyo, Peter, Yme en mijzelf maakt onderweg naar Nayapul
nog een sanitaire noodstop. Zowel aan de achter- als
aan de voorkant laat Yme alles lopen. De andere taxi met Truke,
Terwijl wij aan de Dahl-Bhat, hét Nepalese voedsel bij uitstek: rijst met linzen, en fried rice zitten, komt Balaram terug met een soort ORS. Iets wat ikzelf ook bij me heb, maar ik wil onze gids niet voor het hoofd stoten. Ik laat hem z’n gang gaan, erop vertrouwend dat hij, bekend met dit soort situaties en locale middeltjes, wel met de beste aanpak zal komen. Yme kan echter niks binnen houden, wat hij drinkt komt er meteen weer uit.
Om 15.30 uur gaan we toch verder op stap, we besluiten om ca twee uur te lopen. Als blijkt dat Yme niet opknapt kan ik morgen alsnog met hem teruggaan. Twee uur lopen van de ‘bewoonde wereld’ is te overzien, morgen kunnen we terug zijn in Pokhara, indien dit noodzakelijk blijkt.
Yme wordt
om de beurt door Balaram en Peter gedragen. Hij ziet groen, is moe, geeft nog
drie keer over en wil slapen, terwijl hij juist degene is die zich zo op het
lopen verheugd heeft. Ik heb erg met hem te doen. Na de laatste keer spugen
knapt hij enigszins op, hij loopt zelf weer een stukje. Op
We zitten
buiten, onder een afdakje van onze eerste echte lodge,
in Hille. Bij aankomst vertel ik
Het
begint zachtjes te regenen. Druppels vallen schuchter op het golfplaten dak,
alsof ze ons niet willen storen. Ondanks dat de moesson nog niet echt begonnen
is, schijnt neerslag, in de vorm van regen of hagel, in deze tijd van het jaar
niet ongebruikelijk te zijn. Bij aankomst in Kathmandu, nog maar drie dagen
geleden, ook al regen en onweer. Het dal waar ik nu op uitkijk, met de bijna
droge rivierbedding van de Bhurungdi Khola waardoor enorme keien zichtbaar zijn, wordt prachtig
verlicht door de bliksem. God, of beter op deze plaats Boeddha, maakt een foto
van ons: ik probeer te schrijven terwijl Yme als vanouds naast me zit te
kakelen (hoera). Peter en
Balaram heeft zojuist de ‘briefing’ gedaan. Wat we morgen gaan lopen en hoe laat we op moeten staan. Dat is dus veel en vroeg want hij wil het stuk wat we vandaag niet gedaan hebben, inhalen. De route gaat via Tikedungha (=scherpe punt) waar we de rivier oversteken, en een klim van ca 1000 m. totaal, naar Ulleri en verder naar Ghorepani.
Banthati, 12.30 uur, lunch
Een onrustige eerste ‘echte’ nacht op deze trek achter de rug. Die luxe-room in Pokhara telt niet, want toen hadden we nog geen meter gelopen.Truke en ik slapen met de kinderen op één kamer. Geen probleem, ware het niet dat het kamertje zo klein is, dat er maar drie smalle bedjes inpassen. Zodoende slapen de kinderen en ik met z’n drieën op twee tegen elkaar geschoven bedden. Ik tref het door net op de houten randen van beide bedden te liggen. In de verte is het gerommel van onweer en trommels te horen. Dat laatste is nog een nawee van het nieuwe Nepalese jaar 2057, dat op 12 april begonnen is.
De slaap wil niet komen en is helemaal verdwenen als die trommels zich ineens met hun bespelers, luid en duidelijk onder ons slaapvertrek bevinden. Balaram en de dragers zeggen de volgende dag niets gehoord te hebben. Ik doe geen oog meer dicht; ook niet omdat Truke, hoewel heel zachtjes, frequent de wc moet opzoeken: buikpijn en diarree meldt ze de volgende ochtend. Toch word ik wakker door geklop op de deur en een vriendelijk ‘Good morning’, 6 uur!
Terwijl wij eten, organiseren de jongens de zes slaap- en vier rugzakken tot drie draagbare pakketten. Dáár bovenop komen nog hun eigen tassen. Balaram is gids en draagt geen spullen meer van ons. Daardoor heeft Tokyo een standaardpakket van twee rugzakken die aan elkaar gebonden zijn. Hij draagt deze last op de traditionele manier: met een band om zijn voorhoofd, maar nee ‘no heavy’.
Om kwart
voor acht vertrekken we, slechts drie kwartier later dan Balaram tijdens de
briefing gemeld had. Het eerste stuk stijgt licht; we volgen het pad langs de
noordelijke kant van de Bhurungdi Khola.
We delen het met ezels, hun uitwerpselen,
hun begeleiders en veel stof. Iedereen heeft er flink de sloffen in,
blijkbaar blij dat het nu eindelijk gaat gebeuren. Ik zie
Ik heb bewondering voor iedereen die meer dan alleen een waterfles draagt. Met enige schaamte kijk ik naar Tokyo en Harrie, jongens van 18 die zwetend onze spullen naar boven sjouwen en ook nog lachend ‘No problem, Didi’ weten te zeggen. Balaram heeft inmiddels, af en toe, zijn belasting verdubbeld door Eva op zijn nek erbij te nemen.
Bij onze
lunchplaats onderhandelt Yme op z’n Nepalees.
Ik zit op een muurtje dat net te hoog is om er makkelijk op te gaan zitten. Later begrijp ik dat de hoogte juist zó gemaakt is, dat een drager er, zonder door de knieën te hoeven, zijn last, variërend van rugzak tot doko (traditionele mand met hoofdband), tot ijzeren kooi met kippen, op kan zetten. Voor me zie ik het dal waar we zojuist uitgeklommen zijn; van hieruit oneindig mooi groen en diep. Rechts van mij een rode rododendronboom. De eerste op deze route, of heb ik er, door de inspanningen, nog geen oog voor gehad?
Peter en
Ghorepani, 19.30 uur
Door een prachtig bos met veel eik en rododendron, maar ook regen, lopen we naar Ghorepani (ghora=paard, pani=water: drinkplaats voor paarden) dat op 2775 m. ligt. Ik heb het zwaar en loop met Truke, die vanochtend door buikpijn geplaagd werd, achteraan. Zelfs mijn heuptasje met w.c-papier, sultana’s, dextro, tubetje zonnecreme en dagboekje, is me te veel. Ik voel me bezwaard, dat kleine beetje kan ik nog niet dragen. Maar ik ben blij dat Balaram voldoende lang aandringt ‘its my job’, zodat ik het aan hem kan geven. Het regent af en toe zo hard dat Truke en ik, op onze hurken zittend, onder een overhangende rots schuilen. We kijken naar de groenbegroeide berg aan de overkant en de grauwgrijze lucht daarboven. Voorlopig is het nog niet gedaan met de nattigheid. We hebben regenjassen bij ons, maar die zitten nu net in de rugzak die NB bij zich heeft en hij is vooruit om slaapplaatsen te regelen. Balaram koopt plastic zakken bij een theehuisje, voldoende effectief voor wat er dan nog valt.
NB wacht ons om 16.30 uur aan het begin van het dorp op. We zijn blij dat we er zijn, maar vanaf dat punt blijkt het nog ruim een half uur klimmen naar onze lodge. De beloning komt in de vorm van een fantastisch uitzicht. Onuitwisbaar snapshot op mijn netvlies van de oranje gekleurde ondergaande zon die op de bergtoppen zijn laatste licht afgeeft, met laaghangende wolken daar om heen. We maken kennis met de Daulagiri, de Annapurna South en de ‘fishtail’.
We zitten
in een vrij grote ruimte met uitzicht op de bergen. Een potkacheltje waar
houten banken omheen staan, in het midden. Verder nog banken langs de kanten en
houten tafels. Op deze plek aan de voet van Poon Hill is er een uitgebreid
internationaal gezelschap van toeristen. Ghorephani
is voor velen het eindpunt van een korte, meest vijfdaagse, trek. Links van ons
een Engels gezin met twee dochters; ze worden aan tafel door hun gids bediend.
Tijdens de briefing vertelt Balaram ons dat we op tijd op moeten, half vijf (!), want we gaan de zonsopgang op Poon Hill (3200 m.) bekijken. Vanaf Poon, of Pun Hill genoemd naar een hindoeïstische kaste die de berg, ontdekt en dus bekendheid gegeven heeft, heb je één van de mooiste uitzichten op de Himalaya. Naar bed nu, met alle kleren aan, want het kan koud worden en het scheelt in tijd morgen vroeg.
Shika, 17.15 uur
Voor de kinderen, met name Yme, blijkt Poon Hill toch één berg te veel. Hij is moe, kan niet lopen en doet dat dus ook niet. De inspanningen van de vorige dagen, eisen hun tol. Balaram die de kinderen perse mee naar boven wil nemen, draagt hem hele stukken. Omdat we 500 meter moeten stijgen, valt dat niet mee. We proberen zo veel mogelijk door te lopen, maar ook Truke en ik moeten regelmatig stoppen om op adem en kracht te komen.
Helaas zijn we minder snel dan gehoopt want als we op een kwart van de top zijn, worden de bergen al door de nog niet zichtbare zon roze gekleurd. Als we boven aankomen, komt hij in zijn volle glorie over de toppen geschenen. De Machhapuchhare (‘fishtail’) in het oosten, staat als eerste scherp afgetekend tegen de strakblauwe lucht. Al gauw volgen de Annapurna 1 (8091 m.), de Annapurna South, Tukche Peak, de Dhaulagiri (8167 m.) en de ‘butterfly’. Prachtige zonsopgang, met als decor een paar kanjers van de Himalaya, die we samen met enige honderden (?) toeristen gadeslaan. Tijd voor foto’s: van de bergen, van elkaar, onze groep en samen. Ik ben blij dat de kinderen er bij zijn. Hoewel ze beiden niet echt in de stemming zijn voor poseerwerk, is het plaatje nu wel compleet. Onze Nepalclub 2000 met dragers en gids.
Na
anderhalf uur dalen we af om te gaan ontbijten in onze lodge.
Voor een aantal van ons is rijstepudding inmiddels favoriet om de dag mee te
beginnen. Combinatie van vocht en vastigheid. Het is bijna tien uur als we met
z’n allen weer op pad gaan. De weg die we noordelijk volgen richting Jomsom, is
gevarieerd: via bospaden met veel rododendron en weggetjes door het open veld,
waar kleurrijke vrouwen een dansje maken als ze zien dat
We verlenen eerste hulp aan een Amerikaan die inmiddels bijna de hele Annapurna rond is. Wij lopen een gedeelte van deze tocht, met de klok mee. De meesten doen dit juist andersom omdat je dan makkelijker de Thorang La op 5416 m. kan oversteken. Zijn voeten zien eruit alsof ze met een kaasschaaf bewerkt zijn. Blaren in allerlei staat van ontwikkeling: het ergst zijn de stukken waar hij pleister over gedaan heeft. Hij krijgt second skin en tape, tevens het gratis advies om zijn teennagels te knippen. Zijn vriend met wie hij samen loopt komt een kwartier later. Die is door buikpijn en diarree weinig ontvankelijk voor jolige adviezen.
Na de lunch lopen we verder tot Sikha dat op 1980 m. ligt. De bergen veranderen nog meer in heuvels met terrasbouw. Ondanks vertragingstechnieken zijn we vroeg in de middag op deze plaats van bestemming. Tijd voor douche, lezen, kaart spelletjes en het legen van de laatste flesjes sterke drank, om overgewicht kwijt te raken.
Tatopani, 13.20 uur
Ik zit op het overdekte terras/balkon van onze lodge, met vóór me de prachtig witbesneeuwde toppen van de Nilgiri. We zijn zojuist hier aangekomen, extra vroeg, om de ‘hot springs’ (tato =heet en pani =water) vanmiddag te bezoeken.
Onze slaapvertrekken van de afgelopen nacht blijken, net als in Ghorepani de nacht daarvoor, van elkaar gescheiden te zijn door houten schotten. Elk hoestje, ieder kuchje of snurkje is zodoende drie kamers ver te horen. Het wordt een onrustige nacht, mede door de sterke drank die we met z’n allen opgemaakt hebben. Maagpijn, eruit om te plassen, dan weer voor normale buikpijn. Al met al zijn de omstandigheden niet ideaal om eens een lekker nachtje door te slapen.
Een beetje duf zitten we aan het ontbijt. Tegenover ons een ouder Israëlisch stel dat vanaf Jomsom komt gelopen. Ongevraagd melden ze ons dat ze de klim naar Muktinath, ons uiteindelijke doel, eigenlijk niet de moeite waard vonden. Alsof het simpele feit dat je hier bent en er, hoewel op een afstandelijke, toeristische manier, deel van uitmaakt alléén niet voldoende is.
Door de fel schijnende zon, hebben we toch een paar stevige wandeluurtjes. De route gaat langs graanvelden, aardverschuivingen, kale dorre bergwanden en over een heuse pas. Die scheidt een prachtig, in verschillende kleuren groen getint dal aan de ene kant, met aan de andere kant een dal, waar bruine dorre wanden, zilverkleurig zand en grijze stenen de boventoon voeren. Op diverse plaatsen worden bruiloften gevierd; dit is onder andere te zien aan een met groene takken versierde boog voor het erf van het ouderlijk huis van de bruidegom. Onderweg horen we trommels en gezang, de bruid wordt opgehaald. Kleurrijke mensen, donkerbruine huid en vooral veel rode kleding, steken af tegen het frisse geel en groen van de velden.
Na ruim twee uur lopen komen we bij de kruising van de Ghar Khola, de rivier die we vanaf Chitre ongeveer gevolgd hebben, en de Kali Gandaki die we nu verder stroomopwaarts tot Kagbeni zullen volgen. Onderweg passeren we nog het Bredase stel dat in de schaduw van een boom uitrust, ze nemen het ervan.
Het laatste stukje naar Tatopani (1189 m.) lopen we vlak langs de immense rivierbedding: belachelijk breed voor het kleine stroompje dat er zich nu een weg door naar beneden baant. Over een lange ijzeren hangbrug steken we de Kali Gandaki over. Als we het dorpje inlopen passeren we aan de linkerkant een schooltje. Kinderen van verschillende leeftijden zitten in banken met hoge tafels aan één stuk ervoor, die in lange rijen naast elkaar staan. In één klas zijn ze met aardrijkskunde bezig, we wijzen op de kaart aan waar we vandaan komen. Voor hen en voor ons, heel ver weg.
De lunch, knoflooksoep, omelet, patatjes, fried rice, springroll, en rijstepudding wordt gebracht. Zachtjes begint de regen op het golfplaten dak te tikken.
18.00 uur
Tijdens een zeer warm en prettig verblijf in de ‘hot-tub’, kwamen we de Israëliër en zijn wandelmaatje weer tegen. Zij zijn gisteren in 1 dag van Ghorepani gelopen en hebben vandaag een rustdag genomen. Gedurende zo’n trek kom je vaak dezelfde mensen tegen, om de eenvoudige reden dat er maar één manier is om in het volgende dorp te komen: te voet langs de enige weg die er is. Mensen die je vaker ziet krijgen wel ‘eigen namen’, zoals die Israëliër, het Hollandse stel of dat stel, en Mr. Altitude. Hij is de gids van twee Singaporese meisjes en heeft een knots van een hoogtemeter om zijn linkerpols. Zo heeft Yme inmiddels de naam Magic Man gescoord.
Nu weer op het terras van ‘the old Kamala lodge’. Het is een twee verdiepingen tellend, witgeverfd stenen gebouw en we hebben kamers met eigen douche en w.c.. Vooral dat laatste is handig want ik heb sinds gisteren (weer) behoorlijk diarree. Nadeel is dat ik het nu wel zelf moet zien weg te spoelen als het ernaast gaat. En eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik weinig handigheid heb in het richten met de achterkant.
We zijn in afwachting van het avond eten: volgende rondje knoflooksoep en rijstepudding.
Eva doet
beneden op de binnenplaats een spelletje kaart, met vijf Nepalese mannen van
diverse leeftijden, in een kring om haar heen. Peter leest, Yme probeert
schaakopgaven te maken en
Bhalebas, 11.30 uur, lunch
Door mijn darmen en blaas word ik tegenwoordig gewekt. Aan het ochtendlicht dat door het dunne, vaal oranje gordijntje schijnt, weet ik ongeveer hoe laat het is. Ik wacht op het klopje en ‘good morning’, tevergeefs. De lange dag die we voor de boeg hebben in gedachte, besluit ik eruit te gaan. Iedereen is nog in diepe rust, Balaram en dragers, incluis. Verslapen! Voor zover daar op een vakantie sprake van kan zijn. We presteren het toch om, om kwart over zeven op pad te zijn. We lopen tezamen met ezelkaravaans, twee Zwitserse dames en hun drager en locale Nepalezen, door de vallei van de Kali Gandaki. Schoolgaande kinderen in blauwe uniforms passeren ons, op weg naar Tatopani. Het lijkt of de rivier, die op dit moment nog een smal stroompje is, twee dalen heeft uitgesleten. Balaram stopt regelmatig om ons op de mooie uitzichten te wijzen. Witte bergtoppen bedekken kale bruine rotsen, daaronder donkergroene dennen, die op hun beurt weer lichtgroene loofbomen vervangen. Dit alles omlijst door een strakblauwe lucht.
We volgen de rivier stroomopwaarts tot Rukse Chhahara, waar Balaram wil lunchen. Omdat we, ondanks spierpijn van mijn kant, toch lekker lopen en we nog bijna de helft voor de boeg hebben, besluiten we nog een klein stukje verder te gaan.
In de andere, normale wereld is het vandaag ‘witte donderdag’ en ik vertel de kinderen het lijdensverhaal van Jezus waar ik katholiek mee ben opgegroeid. Het laatste avondmaal en wat wij die dag vroeger op school deden (naar de kerk gaan).
En zo zitten we nu, ongeveer een uur later en een brug verder zodat de rivier weer links van ons is, in een boomgaard in Bhalebas te wachten op ons eten. Omdat mijn darmen inmiddels ook veel te vaak van zich doen spreken, laat ik de knoflooksoep en de rijstepudding voor wat ze zijn en bestel gekookte aardappelen. Ik voel me lichamelijk niet prettig en daar kan het uitzicht op, wat volgens Balaram de mooiste waterval van Nepal is, helaas geen verandering in brengen.
Ghasa, 19.30 uur
Dit dorp op 2000 m. is het eerste Thakali dorp. In de reisgids staat iets over handels- en zakenkennis van deze groep mensen en dat ze bekend zijn om het runnen van hotels en lodges. Aan het begin van het dorp, niet veel meer dan een langgerekte weg, is het eerste wat opvalt een handbeschilderd bord met daarop de namen van de aanwezige lodges en de keurig geplaveide, schone straten.
Tijdens
onze middagpauze heb ik twee keer naar het wc.hok gemoeten. Een donker stinkend
gat in de grond, waar ze, om de lucht lekker vast te houden (?), vier planken
en een dak omheen gezet hebben. Van die accommodatie zou je ook nog spontaan
gaan overgeven. Onderweg moest ik ook nog op twee strategische plaatsen, achter
een hoger gelegen bosje en een muurtje ver van het pad, ‘afhurken’ zoals
Na de lunch lopen we door de veel te ruime bedding van de rivier, bezaaid met grote rotsblokken, verder stroomopwaarts. Het pad van stenen, de resten van een aardverschuiving (?), is af en toe lastig, maar niet gevaarlijk. Het lawaai van het vallende water is overheersend aanwezig. Een karavaan ezels, de voorste met de grootste pluim op de kop, steekt een hangbrug over naar het plaatsje Kabre. We zien hagedissen in grijze, blauwe en groene kleuren. Door een vrij steile klim in de volle zon raakt de club verspreid. NB is vooruit om slaapplaatsen in Ghasa te regelen; maar zonder dat zou hij ook wel voor me lopen, net als de rest. Soms haal ik Truke en Balaram in, die Eva als een geadopteerd kind, hand in hand, tussen zich in hebben genomen.
Ik stop af en toe bij Harrie en Tokyo als zij hun last even neergezet hebben, om het zweet van hun gezicht te vegen. Ze vragen steevast belangstellend ‘You’re Ok, Didi ?’ Of een Nepalese variant die ik niet ken, hoewel ik erg mijn best doe om wat Nepalese woorden te onthouden. De taal lijkt niet moeilijk, uitspraak van bepaalde woorden klinkt als Nederlands, maar ik kan er geen logica in zien. Vanochtend heb ik het mezelf aanschouwelijk gemaakt bij drie kindertjes. Ik weet: keta of keti is jongen of meisje, of andersom. Omdat ik telkens niet het goede geslacht bij het juiste woord onthoud, heb ik even het T-shirtje van het kleinste kind, waarbij ik geen broekje zag, opgetild. Daarbij vragend gekeken en keta/keti gezegd. De eenstemmige reactie van de andere twee maakte duidelijk: keta is jongen.
Bijna boven weet Mr. Altitude, die met zijn twee Singaporese dames langs de kant pauzeert, te melden dat we op 1758 m. hoogte zitten. Ik loop een eindje op met een Engels meisje dat het zwaarder lijkt te hebben dan ik. Ik ben verbaasd want zij komt met haar vriendinnen van Annapurna Basecamp, maar goed, ze loopt wél met haar eigen rugzak. Ik laat haar gaan, voor mijn eerste sanitaire stop na de lunch.
We passeren een bord met informatie over de Muktinath-area. Ik wil niet weten hoe ver Ghasa nog is, of hoe hoog; laat staan dat ik die informatie over Muktinath wil. Wat ik wel zie is dat de te volgen route een omhoog lopend pad wordt, dat langs een bergwand uitgehakt is. Ik beslis tot nog een noodstop want daar zie ik verderop geen gelegenheid meer voor. Achter een muurtje dat een stukje bewerkte grond omzoomt, hurk ik dit keer af.
Door deze tweede stop ben ik nu echt de hekkensluiter van de groep. De rest zie ik, verspreid in de verte voor me uit lopen. Wat me zorgen baart is dat Yme alleen voorop loopt. Het pad is duidelijk en niet moeilijk, maar rechts is een steile bergwand en links een diepe afgrond van ca 100 m. Beneden dendert de Kali Gandaki richting Tatopani en verder. Ik hoop dat ik de enige ben die het weet.
Van verre zie ik NB in zijn opvallend rode sweater aan de overkant van de rivier staan, Ghasa bijna bereikt. Maar ook nu staat hij net zo strategisch als drie dagen geleden in Ghorepani, het is nog ruim twintig minuten voor we bij de lodge zijn. Het eerste stukje blijkt nog een verraderlijk klimmetje, met ezels in beide richtingen bovendien. Vlak voor het dorp is de afdeling ‘openbare werken’ (twee mannen en een vrouw) het ongelijke pad met grote keien aan het herstellen. Een onmogelijke opgave, lijkt me.
Tijdens de briefing vertelt Balaram over de route van morgen. Wat mij bij blijft is een ‘very dangerous bridge van drie boomstammen, waar je maar met tweeën tegelijk over heen mag’. Verder meldt hij dat het vanaf nu gedaan is met de alcohol, in verband met de hoogte. Daarom maken we nog gauw even de restjes op, daarbij geholpen door NB en Balaram. Als iemand na vandaag nog ziek wordt, kan het geen kater meer zijn. Oorzaak dan alleen ontwenningsverschijnselen, of meer voor de hand liggend, de hoogte.
Mijn persoonlijke evaluatie: door lichamelijke ongemakken, geen prettige dag achter de rug. Ook nu weer: buikpijn en op naar het toilet.
Tukuche, 20 uur
Om 8.00 uur vertrekken we uit Ghasa. Eva en NB gaan voorop, beeld van een klein fragiel meisje naast een zwaar beladen Nepalees. Ik maak een foto, ben helaas net te laat om tegelijk ook die man die langs de kant van de weg bamboe zit te pletten, erop te krijgen.
Tokyo vraagt in het Nepalees hoe het met me gaat: ‘Tapaila kasto cha ? (op z’n fonetisch). Het beleefdheidsantwoord hoort ‘Ramro cha’ te zijn. ‘Het gaat goed’, wat positiever is dan het vaker gehoorde ‘thikcha’, ‘het gaat’. Ik besluit het eerste zinnetje uit mijn hoofd te leren om hiermee een verpletterende indruk te maken op NB, Harrie, Balaram en alle Nepalezen die het maar willen horen. Als een soort mantra herhaal ik de zin in mijn hoofd.
We zingen, dit keer Nederlands repertoire: ‘potje met vet’, ‘een haai die wou eens bruiloft vieren’, ‘abc, ik nam een meisje mee’ en ‘Harrie wat heb je met je haar gedaan’; dit laatste op verzoek van Eva. Zij en Harrie zijn dikke maatjes. We passeren Mr. Altitude en zijn vrouwen, die vannacht in dezelfde lodge als wij geslapen hebben. Ik doe mijn mond open om mijn geleerde begroetingszin eruit te knallen. Er komt niets, alweer kwijt… Terug naar Tokyo en opnieuw inprenten, met gebruik van loopcadans dit keer.
Via geplaveide wegen en over nieuw gevormde paadjes op oude landverschuivingen, komen we bij een ijzeren hangbrug over de Lete Khola. Het is tien uur. Dan een, voorlopig laatste, stevige klim in de zon naar 2335 m., weet Mr. Altitude ons te vertellen als we boven komen. Geen pauze, wel even tijd voor thee en noodzakelijk wc-bezoek. Dit keer is dat een houten hutje een eindje van de weg, zodanig gebouwd dat datgene wat je laat vallen direct de afgrond instort, doortrekken hoeft niet. Angstvallig hurk ik overdreven ver naar voren, met als gevolg dat mijn schoenen lichtbruin kleuren.
Over meer geplaveide, brede wegen lopen we licht stijgend naar Kalopani (kalo=zwart en pani= water), een vrij ‘modern’ dorp met lodges die willekeurig waar hadden kunnen staan: Oostenrijk, Rocky Mountains en dus ook in Nepal. Geen lunchtijd beslist Balaram, hoewel we al bijna vier uur lopen.
De rivier, nu een redelijke stroom die ons gelukkig niet al te luidruchtig begeleidt, is rechts van ons. Aan de overkant, in de rand van de bedding een groep grote vogels: gieren. Boven ons hoofd laat er één zich met machtige vleugels door de thermiek omhoog voeren. Ook nog steeds witte bergtoppen, hier en daar met wolken versierd.
Tijdens onze lunch in Sokung op 2591 m., passeren de Israëliërs ons weer. Dat we op elkaars schema zitten bleek gisteren al, want Truke had ze in Ghasa gezien en gesproken. De drie Engelse meisjes arriveren als wij op het eten wachten. Van de weeromstuit kies ik patat en ei dit keer, hoewel vettigheid niet verstandig schijnt te zijn, op hoogte. Veel slechter kunnen mijn darmen er in ieder geval niet van worden.
Na de lunch gaat het verder door de enige honderden meters brede, bijna droge bedding van de Kali Gandaki. Een immens weids landschap strekt zich voor ons uit: een grote zandbak vol kiezels, aan de zijkanten omzoomd door bergen. Recht voor ons, ver weg door wolken omgeven, de besneeuwde toppen van de Nilgiri. Er staat een stevige wind, het is voor het eerst truienweer. Regelmatig moeten we gebruik maken van provisorische bruggen, twee of drie boomstammen naast elkaar, om afgescheiden stroompjes van de rivier over te stekken. Echt gevaarlijk, zoals Balaram gemeld had in de briefing, kan ik het niet vinden. Er lopen zelfs hele kudde ezels, zonder problemen over. Yme balanceert op de brug, als Peters pet in het water waait terwijl hij staat te filmen. Met zijn bamboe wandelstok vist Yme de pet daar heel handig weer uit. Knap staaltje evenwicht. Om 16.00 uur bereiken we Tukuche, een leuk dorpje met appelboomgaarden.
Ik zit op de veranda van onze lodge, Lotus Guest House, een eenvoudig hotelletje aan de rand van het dorp.Voor mij een groen golvend veld met een onbekend gewas, daarachter de berghelling. Rechts een aantal ezels die onrustig naar elkaar bijten en trappen, tot ze zakken met voer aan de kop gehangen krijgen. Bij onze lodge geen ‘solarium on terrace’ zoals ik op diverse plaatsen in het dorp onderweg hier naar toe zag. Maar wat zou het zijn: gewoon open dak?
De kamer
voor de kinderen en mij viel tegen, een hokje zonder raam met drie bedden waar
het bovendien erg muf rook. NB kwam daarop met een chemische spuitbus, waar de
lucht niet veel beter van werd. Uiteindelijk hebben we geschoven: Eva slaapt
bij mij op een kamertje aan de voorkant waar Balaram en NB sliepen, Yme bij
Truke, en Peter weer bij
Balaram heft ons alcoholverbod op, omdat ie vindt dat we het locale drankje, appelbrandy met heet water, moeten proeven. Truke praat met de Israëliërs die weer eens in dezelfde lodge verblijven, ik probeer te schrijven en af en toe nemen we een slokje heet water, met appelbrandy.
Kagbeni, 21.00 uur
Voor gewone stervelingen zoals wij is deze plaats op 2810 m. hoogte, de meest noordelijke plek die je kunt bereiken, vóór Mustang. Wil je dit koninkrijk bezoeken dan moet je op z’n minst 750 dollar per persoon voor een permit betalen. Wij nemen genoegen met een blik in de verte en datgene wat we ons voor de ogen kunnen bedenken.
We vertrekken om 8 uur uit Tukuche. De Israëliërs zijn ons dan al voor gegaan, zij gaan in Marpha ontbijten. Tot die plaats zijn er nog duidelijk menselijke invloeden op het landschap: met muurtjes omzoomde velden waar groen gewas staat te wachten tot het geoogst kan worden en appelboomgaarden. Met de bossen op de berghellingen geeft dit een prachtig, in diverse tinten groen gekleurd beeld.
In de verte zie ik de Engelse meisjes voor ons lopen, vlug vraag ik Tokyo ‘de zin’. Als we ze passeren kan ik in vloeiend Nepalees aan ze vragen hoe het met ze gaat. Niet zo goed, ze gaan vandaag waarschijnlijk tot Jomsom, vanaf nu ongeveer nog drie uur lopen.
Voor die
tijd passeren we Marpha (2665 m.)
een leuk, goed verzorgd plaatsje. Appelbomen, volop in de wit-rose
bloesem, verwelkomen ons aan het begin van het dorp. Veel huizen hebben een
lage poort als entree. Ga je er onderdoor dan kom je bij een half overdekte
binnenplaats; daar omheen zijn de keuken en woonvertrekken. De meeste
theehuizen hebben dáár bovenop een terras. Het is nu, om tien uur in de
ochtend, al te warm om er nog lekker te kunnen zitten. We drinken thee en fanta op het binnenplaatsje.
Na Marpha lopen we weer in de bedding van de Kali Gandaki. De voetzolen worden gemasseerd door stenen van ongelijke grootte, de enkels getest op hun stabiliteit; het is opletten waar je je eigen dragers neerzet. Het landschap wordt ruiger, minder groen. Bomen staan vooral nog ver weg op de berghellingen. Nog verder weg en hoger, witte bergtoppen.
In Jomsom
(2713 m.), het laatste Thakali
dorp, lunchen we in het hotel waar we over enkele dagen, voor we terugvliegen
naar Pokhara, zullen overnachten. We hebben uitzicht op de startbaan, waar niks
gebeurt. In verband met de wind die hier behoorlijk heftig vanaf een uur of elf
‘s ochtend opsteekt, vinden alle vliegactiviteiten, voor die tijd plaats. Het
enige wat we zien is de windzak die strak noordelijk, richting Kagbeni hangt.
Gesterkt door knoflooksoep en aardappelen, vertrekken we om 13.30 uur, voor de 13,5 km lange tocht door de Kali Gandaki naar Kagbeni. Nog meer keien, grijze en bruine tinten en veel wind, gelukkig in de rug. We lopen de route met locale Nepalezen, andere toeristen, dragers, sommige gewoon met rugzakken zoals bij ons clubje, maar ik zie er ook met huisraad op de rug (1 houten tafel en 5 stoelen) of brede golfplaten sjouwen, ezels, en nu ook mensen op pony’s. In een soort snelle draf, berijder wat naar achteren geleund, komen die ons voorbij.
Dit gebied staat bekend om zijn fossielen. Peter en Yme leren hoe ze die kunnen vinden. Zoek allereerst de juiste steen: zwart en afgesleten. Gooi die met kracht op de grond zodat ie, in ieder geval op de plaats van het fossiel indien aanwezig, openbreekt. Probeer ook de kleinere stukjes van de steen terug te vinden, zodat je er weer één geheel van kunt maken. Mee het land uit nemen mag niet want het zijn allemaal kleine reïncarnaties van Boeddha.
Om 17.00 uur bereiken we Kagbeni, een dorp met bewoners die van Tibetaanse komaf zijn. Het tweede hotel wordt door Balaram goedgekeurd. Ruime kamers met twee of drie bedden, eigen w.c. en douche met echt warm water. Een kamer met drie bedden kost hier 100 rs., net zoveel als we voor een houten hokje in Ghorepani betaald hebben. De prijs voor een tweepersoons kamer is 80 rs. Een fles mineraalwater kost hier inmiddels 65 rs., snickers zijn 70 rs en bier is120 rs. Luxe artikelen, die allemaal naar boven gesjouwd moeten worden.
Voor de
afwisseling slapen Peter, Eva en ik bij elkaar; en Yme slaapt bij Truke en
Er is een, zo te zien en te ruiken, pas nieuw gebouwd riant, maar ongezellig restaurant gedeelte. Vandaar dat we nu met zijn allen in de warme keuken zitten. Vanaf een lange bank langs de kant, kijken we naar de bezigheden van de hoteleigenaars. Links wordt op een fornuis, dat opgemetseld is vanaf de grond en uit de muur lijkt te komen, door een man gekookt. Bovenin zijn vier openingen uitgespaard, zodat het houten vuurtje meerdere pannen tegelijk kan verwarmen. Rechts wassen vrouwen af. Een modern gekleed meisje type spice-girl fan van ca. 16 jaar, brengt gerechten naar de eetzaal en komt met vuil vaatwerk terug. Tussen de bedrijven door, krijgen twee kleine kinderen een bordje rijst voorgezet. Zittend op de grond werken ze het eten met hun handen naar binnen.
Eva valt met haar hoofd bij Harrie op schoot in slaap. Om het af te leren, drinken de anderen nog een biertje. Ik verwerk de indrukken van de dag door ze op te schrijven in mijn, inmiddels erg smoezelig geworden boekje.
Muktinath, 14.00 uur
Met gemengde gevoelens schrijf ik de naam van dit dorp, waar we nu zijn, boven dit stukje. Het hoogste (3700 m.) en verste punt van de tocht zojuist bereikt. We hebben nog wel wat dagen te gaan, maar af en toe zijn er geluiden van ‘wat wanneer we terug zijn’. Yme vertelt me uitvoerig dat ie eerst thuis een hazenslaapje gaat doen, dan Yasmijntje bij Kitty halen en daarna zijn uitgeleende spelletjescomputer bij een vriendje. De boeddhistische gedachte ‘dat het hier en nu telt’ in mijn hoofd, zeg ik dat ie daar nu niet mee bezig moet zijn. Hij kan beter genieten van de omgeving, waar hij nu is en wat hij nu doet. O.K. reageert hij ad rem, mag ik dan nu een dextro.
We
vertrekken om acht uur vanaf het hotel. De eigenaresse geeft ons allemaal een
gelukssjaaltje om de hals. Ieder draagt het op zijn eigen manier: Yme als een
piraat om zijn hoofd geknoopt, Eva als een haremdame onder haar pet vandaan,
Truke als poetsvrouw en
Het eerste stuk van de route, weer een gewoon vertrouwd stoffig pad, gaat vrij steil omhoog. Ik stop regelmatig om op adem te komen en te drinken.Vier liter per persoon per dag op deze hoogte is het advies. De berghellingen waar we lopen zijn nu echt kaal. Achter ons in de diepte ligt Kagbeni, omringd door groene velden. We volgen de loop van de Jhong Kola rivier, die links beneden in de diepte stroomt. Het is een zijtak van de Kali Gandaki, die zelf verder noordelijk Mustang ingaat, naar zijn oorsprong.
In drie etappes komen we op, bijna, Muktinath hoogte. Het is nog even spannend als we door yaks, mooie langharige dieren met enorme hoorns, op een smal pad met onze rug tegen de berghelling gedwongen worden. Peter filmt een schaapsherder die met een soort lasso stenen de diepte in slingert naar zijn schapen, die lager op de helling grazen. De man reageert opgewonden lachend als hij zichzelf op video terug ziet.
Het laatste stukje van de klim is voor later, na de pauze. We lunchen om 11.30 in Jharkot en worden weer gepasseerd door de Israëliërs, óók op weg naar Muktinath.
We
trekken na ruim een uur, met z’n allen verder. Al gauw valt de groep uiteen. De
echte sterken, zoals
We hebben thee, fanta en snickers in ons hotel. We zitten op lange banken om een tafel, met onze benen tegen een kleed dat vanaf de rand naar beneden hangt. Onder de tafel blijkt een gat in de vloer te zitten waar een vuur gemaakt kan worden. Een soort stoof voor iedereen die erom heen zit. De kinderen doen al weer een spelletje kaart.
Muktinath is een pelgrimsplaats voor Boeddhisten en Hindoes; nog geen honderd meter hoger op de berg ligt een tempelcomplex dat we straks gaan bezoeken. Ik moet er nu even niet aan denken.
18.00 uur.
Ruim een
uur na aankomst vanmiddag word ik alsnog niet lekker. Ik voel me misselijk, heb
hoofdpijn, moet geeuwen en wil slapen, wat Balaram verbiedt. Het schijnt niet
goed te zijn, in verband met de hoogte, maar het ‘waarom niet’ ontgaat me.
Ik beaam dat ik me niet lekker voel, waarop Eva meldt dat ze zich ook niet goed voelt. Ik begin spontaan te huilen en zeg dat ik niet voor Eva kan zorgen, de tranen geven enige opluchting. Ik besluit de tempel te laten voor wat ie is en blijf met de kinderen in het hotel achter, de anderen gaan de tempel bezoeken.
Ik ga languit, met mijn rug tegen een kast gesteund, in de brede vensterbank zitten. NB wordt mijn persoonlijke verzorger. Hij haalt een kussen en slaapzak en brengt me de locale remedie tegen deze verschijnselen (ziekte wil ik het niet noemen, laat staan dat ik het in verband met de hoogte wil brengen): twee tenen knoflook en een glas heet water. Het is even scherp, met name bij het wondje dat ik aan mijn tong heb, maar een slok heet water neutraliseert. Eenmaal doorgeslikt geeft het een weldadig warm gevoel bij het borstbeen.
Met Eva naast me, dommel ik af en toe in slaap. Yme zit aan tafel en leest uit de Lonely Planet, onze reisbijbel, over Gasnesh, de god met de olifantenkop. De Israëliërs komen binnen. Ze slapen ergens anders maar willen hier eten. Yme vertelt ze het verhaal van de onfortuinlijke godenzoon wiens hoofd er abusievelijk door zijn vader, in woede wordt afgeslagen, waarna hij weer levend wordt door de kop te krijgen van het eerste dier dat zijn vader ziet. Een olifant dus.
Vanuit mijn hoge positie in de ziekenboeg, heb ik zicht op het lager gelegen pleintje voor het hotel. Het wordt omringd door 2-verdiepingen tellende, ooit wit gesausde huizen, gebouwd van grove, op elkaar gestapelde stenen. De deurposten, die slechts ruimte laten voor smalle, kleine deuren, zijn gemaakt van dikke balken. Die moeten toch ook door iemand omhoog zijn gesjouwd, want hier is geen boom te bekennen. Links achter wordt mijn zicht beperkt door een politiepost, waar de hele tijd mannen buiten voor op straat rondhangen. Er staan tafels met souvenirs; ik zie schaaltjes, beeldjes en sierraden. Gekleurde sjaals en dekens van yak-wol hangen erachter, ze worden ter plekke gemaakt door oudere vrouwen achter weefgetouwen. Kinderen spelen met afval wat er ligt. Jonge meisjes komen naar buiten zodra iemand zich over de waar op hun stalletje buigt. Cowboy-achtige types komen op hun snelle pony’s in stofwolken aanrijden. Het wilde westen zoals het eruit gezien kan hebben, maar dan écht, in het oosten. Even zo snel zijn ze weer verdwenen.
Rustdag in Muktinath, 8.00 uur
Onrustige nacht gehad, want Peter wilde om half zes opstaan om met Balaram en NB de pas op te lopen. Bang om te verslapen, terwijl ik anders min of meer vanzelf rond zessen wakker ben, worden we ieder uur wakker. Eenmaal aangekleed en klaar om te gaan, meldt Balaram dat het niet doorgaat omdat het te mistig is. Inderdaad wolken om de berg waar we vanuit onze slaapkamer zicht op hebben. Ook nog wat lichte sneeuw te zien. We dommelen weer weg.
Even later een klopje op de deur en ‘Good morning, sir’. Ze gaan toch, het ziet er beter uit.
De klim naar de pas van de Thorung La (la=bergpas) op 5416 m., is vanuit Muktinath vrij steil, een hoogte verschil van 1600 meter. Vandaar dat het gebruikelijker is om de hele Annapurna tegen de klok in te lopen. De stijging gaat vanaf de andere kant geleidelijker. Balaram schat dat de tocht naar boven bijna vijf uur zal duren, terug ook nog eens zeker twee uur. Meestal wordt het rond een uur of twee ‘s middags op die hoogte bewolkt, mistig en gaat het sneeuwen. Vandaar dat hij vroeg op pad wil gaan.
Yme, die dit keer bij Truke slaapt, komt me vertellen dat hij wakker is. Ik vanaf dat moment dus ook. In afwachting van het ontbijt nu, en de reisgenoten die niet de pas op zijn.
17.00 uur
Ik voel
me goed, vandaag. Geen vage verschijnselen, geen buikpijn, geen diarree. Om elf
uur is Truke nog in geen velden of wegen te bekennen.
Veel meer dan dat is er eigenlijk ook niet. We slenteren het dorpje uit, werkelijk niet meer dan een handjevol huizen op een open vlakte in Mustang, weliswaar met een politiepost. Er komt een voorzichtig zonnetje door de wolken heen. Na een brug over een droge rivier, komt er nog een tweede gedeelte van het dorp. Dit keer alleen huizen aan weerszijden van de straat, geen centraal punt, of het moet de lange gebedsmuur met rollen zijn, midden in de straat gelegen die ongewild ook een afscheiding vormt. Vanachter het raam op de eerste verdieping van een hotel zwaait Mr.Altitude naar ons.
Met
Truke,
Bij het verlaten van het complex kan ik mijn enige Nepalese zin, wederom en dit keer zonder moeite, op de Engelse meisjes loslaten die gedrieën naar boven komen. Op de weg terug kopen Truke en ik bij een Nepalese met kort haar, allebei een zelfde soort ring. Zij met een wit steentje, ik met een groene.
Ekklebati, 12.15 uur, lunch in hotel
Hill ton
Om acht uur vertrekken we uit Muktinath, een dalende dag in het vooruitzicht. De kinderen lopen voorop. Yme hervat zijn wandelgesprek van twee dagen geleden met Truke, over de middelbare school. Hij is erg geïnteresseerd hoe dat allemaal gaat.
Ik kijk regelmatig om naar de zon en de strakblauwe lucht en neem telkens afscheid van de Thorang La die ligt te schitteren in het ochtendlicht. Vóór ons de Dhaulagiri; twee dagen geleden in de middag nog verscholen achter de wolken. Ook nu wolken, maar het zijn kleine plukjes die op lijken te lossen in het blauw van de lucht.
We pauzeren even als we appels kopen langs de kant van de weg. Dezelfde weg als zondag, maar toch totaal anders omdat we nu dalen en daardoor ander zicht hebben op de omgeving die beschenen wordt door fris ochtendlicht. Alles lijkt helderder, intenser en kleurrijker te zijn.
De weg naar Kagbeni laten we dit keer rechts liggen, we gaan rechtstreeks naar Jomsom via dit plaatsje dus, waar we lunchen. Weer eens knoflooksoep en pizza voor de kinderen. Eva koopt vriendschapsbandjes voor de jongens. Zorgvuldig zoekt ze uit welke voor wie is.
Jomsom, 21.00 uur, hotel Tilicho
Mijn eerste gedachte hier: de tocht zit erop, we hebben het gehad, helaas. Net nu ik het gevoel heb dat mijn motortje een beetje warm begint te lopen. Ik wil nog verder, nog meer, gewoon niet stoppen met genieten. Genieten van het machtige landschap, van de vriendelijke mensen en hun cultuur, van het lopen, gewoon van het hier en nu zijn.
Ik bedenk
een manier hoe dat te realiseren: teruglopen naar Beni
met de dragers en daar, net als zij, de nachtbus naar Kathmandu nemen. De kinderen
willen absoluut niet meer, die rekenen op het vliegtochtje van overmorgen en
daardoor valt Peter als medeloper af. Truke is er wel voor in, maar gaat hierna
nog een trek doen. Ze hoeft dan ook niet
zo nodig. En
Als verrassing willen we voor Eva in Ekklebati na de lunch een pony huren. We zijn net te laat. Of net op tijd om de laatste drie pony’s van het dorpje, met Mr. Altitude en zijn vrouwen, voor onze neus weg te zien rijden. Geen gezicht zo’n grote vent, met de rugzakken nog op zijn rug, op dat kleine beestje. We lopen weer door de bedding van de Kali Gandaki, dit keer met wind tegen. Het is behoorlijk fris, daarom heeft niemand zin om te veel te stoppen voor foto’s of fossielenjacht. Om kwart over drie zijn we weer in dit hotel.
We drinken fanta, bier en appelbrandy; we kaarten, lezen, praten of schrijven. Vanuit een privé kamer, die aan de centrale entree annex eetzaal grenst, klinkt Nepalese muziek. NB begint met vloeiende bewegingen te dansen. Het werkt zo aanstekelijk, dat hij uiteindelijk iedereen op de dansvloer weet te krijgen. Hoewel niet voor lange duur, sommigen haken af omdat ze dansen nooit zo leuk vinden, anderen zoals mijzelf, door gebrek aan conditie en lucht op deze hoogte. Alleen Yme is er niet bij, die is spontaan om acht uur al, boven in slaap gevallen.
Jomsom, 17 uur
Hoewel we geen lange wandeldag in het vooruitzicht hebben, zijn we toch gewoon om zes uur wakker. Uitslapen komt in ons lichaamsritme niet meer voor. Buiten op het balkon aan de achterkant van het hotel hebben we mooi uitzicht op het vliegveldje en wat daar zoal gebeurt. Ik zie de vrouwen van Mr. Altitude, we zwaaien naar elkaar. Uit het niets landt er een vliegtuigje voor ons op de baan. Morgen komen ze voor ons en dan is het echt over.
We huren
dit keer wel een pony en maken met de hele groep een tocht naar het dorpje aan
de overkant van de startbaan, Thini village, en het even verderop gelegen Dakini
lake. Yme en Eva zitten afwisselend op Rate. Bij het meer, waar enorme vissen in zwemmen die niet
gevangen mogen worden, maken we foto’s. Balaram en Eva, Balaram met Yme en Eva,
Balaram en Truke, Truke en
Aanvankelijk zou de trip acht uur duren, toen zes en uiteindelijk zijn we binnen vier uur terug van onze excursie, in het hotel.
Na
de lunch lopen Peter,
We drinken thee en bier en eten apple crunch. Ik vind groene oorbellen die bij mijn ring passen en we kopen kleine zakjes waar we het tipgeld voor de jongens in kunnen doen. Na enige beraadslagingen in het Nederlands, waarbij we angstvallig het woord tip proberen te vermijden (het werd ef-oo-oo-ie) krijgt Balaram in zijn positie als gids, toch iets meer als de anderen: respectievelijk 75 en 50 dollar. We geven het vanavond na het eten; een lied op de wijs van Resham phiriri, zoals een Nederlandse groep in Muktinath had, is er niet meer van gekomen.
Pokhara, Moonlight hotel, 8.30 uur
Weer terug in hetzelfde hotel en na enig heen en weer geschuif ook dezelfde 3-persoonskamer. De trek zit er nu echt definitief op. Bijna twee weken en vele indrukken verder.
Yme
ligt in het lauwe bad en Peter probeert de videocamera en t.v. aan de praat te
krijgen. Ik zoek schone kleren voor Yme en mezelf en Eva gaat haar pyjama naar
We worden om half zes gewekt. Dit keer word ik inderdaad wakker van het klopje op de deur. Mijn normale wekkertje is verstoord door de vele alcohol, bier en appelbrandy, die we tijdens het afscheidsavondje genuttigd hebben. Een beetje katerig zitten we aan het ontbijt , terwijl NB, Harrie en Tokyo onze bagage naar het “Jomsom airport” brengen. Balaram komt ons halen omdat we nu echt moeten inchecken. We krijgen nog eens soort van fouilleren, mannen en vrouwen in aparte kamertjes, waarbij standaard de zakmessen uit de broekzakken en tassen moeten. Om kwart over zeven vertrekken we met Gorkha air naar Pokhara. Het is bewolkt waardoor het zicht op de Himalaya minimaal is. Twee piloten en een stewardess, wier aanwezigheid alleen maar gerechtvaardigd lijkt door het te vroeg uitdelen van snoepjes, weten ons om kwart voor acht veilig in Pokhara aan de grond te zetten. Terug in de werkelijkheid. Einde…